Starende Vliegvissers

sfeer foto van de starende vliegvisser

 

De starende vliegvisser.

De starende vliegvisser. Als we met vakantie gaan er altijd het nodige aan visspullen mee (‘viszooi’ volgens mijn vrouw). Bijna altijd zoeken we dan een camping aan een riviertje. De laatste jaren in Frankrijk. Dit jaar was het doel de Dordogne. We landen daar met de caravan na drie tussenstops. Onderweg zijn we dan een paar dagen op bekende campings waar ik een beetje kan vissen. In de vakantie lijkt dat meestal leuker dan thuis: andere omgeving, andere mensen, andere taal, helaas Frans. Dit betekent heel vaak met handen en voeten en een mengeling van Franse en Engelse woordjes communiceren met andere vliegvissers.

Wat opviel bij de riviertjes waar ik geweest ben, was de lage waterstand. In sommige gevallen maakte dat het vissen wel lastiger.

de serain

Zo stond in de Serein in de buurt van Chablis iets van 30 – 40 cm water. De grotere vis kon je alleen vinden in diepere stukken. Daar waren er niet te veel van. Achter de camping was echter een mooie poel vol met vis en met glashelder water. Die konden alleen benaderd worden als ik via een bijna droge zijarm naar de poel toe sloop. Onder dekking van struiken en achter mij een aantal vliegjes etende bomen konden dan grote vissen aangeworpen worden.

Met resultaat. Het waren voornamelijk kopvoorns. Leuk om te zien was, dat toen ik een kopvoorn van ca 45 cm het zijriviertje in sleepte, in zijn (haar?) kielzog nog een stuk of drie andere vissen zwommen. Die waren overigens snel weg.

De gevangen vis maakte echter zoveel rumoer dat daarna de lol eraf was. Na een of twee vissen, maakte ik geen kans meer. Zij gingen over in de cruisemode, met de grootste voorop zwommen ze in een dichte school zwommen ze heen en weer. Hoe je ze ook aangooide, met welke vlieg, drijvend, zinkend, rood, geel, paars, ze lieten het links liggen. Door het heldere water kon je ze goed zien. Zij mij helaas ook. Bij een kleine beweging van mijn arm, zag je ze 10 meter verder wegstuiven. Alleen kleine vis en vis die wat verder weg op andere plekken zaten, lieten zich nog wel verschalken.

2 vliegen die gebruikt zijn in dit artikel de starende vliegvisser.

Een volgende tussenstop was aan de Sioule. Een rivier die bekend staat om zijn forel en vlagzalm. Ook hier stond er weinig water. Na het eten probeerde ik het nog even. Het resultaat was alleen kleine vis: kopvoorn, alvertjes. Je zag ook geen stijgende vissen.

Terwijl ik daar bezig was kwam er een andere vliegvisser, een wat oudere man. Hij liep een eindje de rivier in, ging daar staan, steunend op zijn waadstok en … deed verder niets. Alleen kijken. De hengel in zijn hand maar niet inwerpen. Natuurlijk even een praatje gemaakt en vliegjes bekeken. Hij vertelde dat het water te laag was. De vissen verschuilen zich en komen pas als het schemert te voorschijn.

Hij wachtte tot hij een vis zag stijgen. Dan zou hij zijn lijn uitgooien. Ik heb hem weer alleen gelaten. De vliegvisser heeft daar dat laatste half uurtje alleen naar het water staan staren. De starende vliegvisser heeft zover ik weet, niets gevangen. Aan het eind van de vakantie op de terugweg naar huis, had ik daar wel een aantal forellen. Ik denk ook omdat toen de toeristen weg waren en het rustiger was aan de rivier zodat de vissen zich eerder lieten zien.

De Dordogne is op de plek waar wij zaten een brede rivier met wat stroomversnellingen. De rivier was nieuw voor mij en als je dan daar voor het eerst gaat vissen, probeer je te beoordelen waar en waarmee je het beste kan vissen. Behalve bij de geijkte plaatsen, stroomversnellingen, de stroomnaden, obstakels in het water, beschutting van bomen, enz., kijk je waar andere vissers gaan staan. Ook de bomen langs de rivier zijn een bron van informatie. Regelmatig vind ik daar loshangende lijntjes waar nog een vlieg aan vast zit.

Met zo’n vlieg heb ik weer vis gevangen en bij een praatje met een Fransman gezien, dat hij ook een dergelijke vlieg in een ander kleurtje (groen i.p.v. donkerblauw) gebruikte. Ook hier waren er ‘starende vissers’. Mensen die wachten totdat ergens beweging is. Sporadisch zie je dat ook. Meestal buiten bereik. Soms dichter bij, maar dan is het wel vaak raak.
Dat wachten is echter niets voor mij. Er zit waarschijnlijk redelijk wat vis die meer op onderwaterbeestjes jagen dan op drijvende vliegjes. Dat meende ik gezien te hebben toen een groepje zwaluwen klaarblijkelijk tijdens een hatch van kleine lichtbruine eendagsvliegjes deze massaal van het wateroppervlak plukte. De vissen lieten zich echter nauwelijks zien. Af en toe een stijgende vis. Maar dat was het dan.

Kenmerken jonge zalm..

Daarom probeerde ik een onverzwaarde peute op haakje 16. Echter kleine lichtgekleurde vliegjes en nimfen deden het ook: forel, zalmpjes, kopvoorn, blankvoorn, serpeling, alvers, helaas geen vlagzalm. De peute blijft een beetje drijven, maar wordt al snel onder water getrokken. Wat de vissen er dan in zien weet ik niet. Misschien werkt het als een streamertje. In ieder geval vonden ze het lekker. Bij het eerste paar worpen was het al raak. Geen grote vis 15 – 20 cm. Mijn eerste indruk was, dat ik een forel aan de lijn had. Alleen met een wat spitsere snuit en een wat afwijkende tekening.
Mogelijk een locale variant. Op internet vond ik echter een mooi overzicht van de verschillen tussen jonge forellen en jonge zalmen: http://members.quicknet.nl/f.oorschot/Vissoorten/Verschil.htm

Wat bleek: ik heb de eerste zalm van mijn leven gevangen. Geen grote, maar toch …

Jonge zalm

Waarom Windevissen

Waarom Winde Vissen

 

Voor ons vissers uit de Randstad is WINDE vaak bijvangst. We vissen er niet gericht op.
We hadden graag Johan Sibum ontvangen om daar een lezing over te geven. Maar hij berichtte dat hij, vanwege zijn leeftijd, mee gestopt is. Johan is een geroutineerde visser en een heel goede schrijver. Met zijn toestemming publiceren we het volgende artikel van hem over WINDES. Dit doen we omdat we van plan zijn om volgend voorjaar eens echt ons best te doen om in of aan het IJsselmeer windes te vangen met de vliegenhengel. Ter voorbereiding dus.

Veel leesplezier. Chris van Elk

“”WAAROM EEN ARTIKEL OVER DE WINDE?
(door Johan Sibum)

Reeds jaren geleden viste ik met de nimf op blankvoorn in het IJsselmeer. Bijvangsten zoals baars, brasem en winde waren geen uitzondering.
Toen ik echter op een warme windstille zomerdag een grote school windes ontdekte. Die met hun bekjes omhoog de vlakke waterspiegel in beroering brachten. Kwam plotseling bij mij de gedachte op. Het moet mogelijk zijn om deze mooie sterke vis met meer regelmaat aan de schubben te komen.

De beschikbare lectuur werd geraadpleegd, maar deze bleek uitermate summier. Naast min of meer wetenschappelijke gegevens over de winde waren er slechts enkele publicaties over wadend vissen met de vlieg bij Muiden. Hierin werd, na mij achteraf is gebleken nooit ingegaan op de werkelijk belangrijke zaken die grotendeels de kansen op succes bepalen.
Omdat experimenteren in mijn bloed zit, besloot ik er zelf maar op uit te trekken om eventuele mogelijkheden te onderzoeken. Het lijkt me leuk de lezers en vooral de vliegvissers onder hen die in de directe omgeving van het IJsselmeer wonen, deelgenoot te maken. Met de inmiddels door mij opgedane ervaring.In de hoop dat zij net zoveel plezierige uren zullen beleven tijdens hun pogingen deze prachtige sportvis te verschalken.
Alvorens echter wordt ingegaan op de geschikte periodes, plaatsen en methodes , volgt eerst enige algemene informatie over de winde.

BELANGRIJKE KENMERKEN.
Winde

winde; leuciscus idus

De winde is een voornachtige, die door een leek gemakkelijk wordt verward met blankvoorn en kopvoorn (ook wel meun genoemd). De zogenaamde meunen die ik in het IJsselmeer zag vangen bleken bij nadere controle steeds windes te zijn.
Als eerste belangrijke kenmerk geldt dat de schubben van de winde verhoudingsgewijs kleiner zijn dan die van blank- en kopvoorn.

De laatste twee soorten hebben ongeveer 45 schubben op de zijlijn, terwijl dit er bij de winde ongeveer 60 zijn. (Ik hoop dat de heren wetenschappers mij deze ietwat ruwe benadering vergeven).

Kleine windes tot ongeveer dertig cm. Zijn aan de flanken zilverkleurig, grotere exemplaren goud- tot bronskleurig.
Hoewel er tussen de drie genoemde soorten nog diverse andere verschillen bestaan, hebben we mijns inziens aan deze gegevens genoeg om naamsverwisseling uit te sluiten.

VOEDING.

Grote winde kan ook kleine visjes eten. Normaal bestaat hun natuurlijk voedsel voornamelijk uit insecten, insectenlarven en schelp- of schaaldiertjes. In de winter is de winde  passief en verblijft op diepere plaatsen (o.a. de diverse IJsselmeerhavens ).
Dus het koude jaargetijde is ongeschikt voor onze doeleinden.
We zoeken de  winde op die plaatsen waar voldoende voedsel aanwezig is. In de praktijk blijkt de gunstige periode te vallen tussen april en september. Jaarlijkse schommelingen in temperatuur veroorzaken soms een verschuiving van enkele weken.

WAAR KUNNEN WE WINDES VERWACHTEN?

Plekken voor winde langs de rivierOndiepe oevergedeeltes met rietkragen leveren soms succes op. Ook bij wierbedden in ondiepe gedeeltes is de kans op succes groot.
Toch zijn de beste stekken elders te vinden. Voornamelijk de eerste 300 a 500 meter langs de IJsselmeerdijk rond diverse werk- en jachthaventjes zijn bij mij favoriet. Deze haventjes vormen vaak hoeken in het IJsselmeer waar de winde graag verblijft.
Ook de vele kleine piertjes (o.a. aan de Friese kant) bieden goede mogelijkheden.

De winde zoekt op de twee laatstgenoemde plaatsen dikwijls voedsel op de onder water liggende basaltstenen. Ook insecten die vanaf de begroeide oever of dijk in het water terechtkomen worden met graagte genuttigd.
Wadend vissen is hier vaak moeilijk en niet nodig.

WINDRICHTING, WINDKRACHT EN TEMPERATUUR (IN SAMENHANG) ZIJN VAN DOORSLAGGEVEND BELANG.

De windrichting heeft geen invloed op de bijtlust van de winde. De optimist die denkt met een lekker zuidwesten windje op een willekeurige plaats aan het IJsselmeer een aantal windes te kunnen vangen komt bedrogen uit.

Bij windkracht 4 of hoger is kunt u beter thuisblijven. Op deze regel is echter 1 uitzondering.
Bij aanhoudende landinwaartse wind komen de windes vaak onder de kant. Waait hierna de wind landafwaarts, dan zijn de eerstvolgende dagen zelfs bij windkracht 4 of hoger vaak succesvol.
Het water wordt nu snel weer helder en de winde aast op ingewaaide voedsel. De droge vlieg maakt dan veel kansen.

De beste vangsten zijn echter nadat een zachte wind (kracht 3 of minder) enige dagen op de kant staat.
We moeten wat betreft de temperatuur onderscheid maken tussen het vissen met natte vlieg of nimf en de droge vlieg.
Het vissen met de droge vlieg heeft in de regel pas nut bij temperaturen van ongeveer 18 graden of hoger. Temperaturen tussen 14 en 18 graden zijn geschikt voor natte vlieg of nimf.

GEVOELIG VOOR TEMPERATUUR VERANDERINGEN

De winde is zeer gevoelig voor veranderingen van temperatuur. Plotselinge temperatuursdalingen van 3 of meer graden maken onze visdag vaak kansloos. Ook te warme dagen (27 graden en hoger) zijn ongunstig. De windes vormen dan grote scholen die op enige afstand langs de oever trekken.
Het gebeurt dan dat ze hun schuwheid verliezen en vlak voor onze voeten zwemmen . Zonder enige aandacht te schenken aan onze kunstvlieg. Verspil in dit geval uw energie maar niet, want behalve een domme toevalstreffer zult u weinig vangen.

Hoewel de winde normaal gesproken ook overdag goed kan worden gevangen, is het onder deze omstandigheden beter de vissen met rust te laten en te wachten tot enige uren voor het ‘s avonds donker wordt.
Kleine schooltjes scheiden zich dan af van de grote groep en azen alsnog vlak langs de basaltstenen. Deze uren kunnen uw dag nog ruimschoots goed maken.
Volledigheidshalve moet bij deze opsomming van gunstige weersomstandigheden nog worden vermeld, dat het de winde weinig schijnt uit te maken of de lucht helder of bewolkt is.
In theorie weten we nu waar en wanneer we de winde met succes kunnen belagen. Het wordt nu tijd om aandacht te schenken aan de praktijk van het vissen zelf.

MATERIALEN.

Een lange vliegenhengel (2.70 a 3.00 m) met een drijvende vliegenlijn aftma 4-6 is zowel voor natte vlieg, nimf als droge vlieg geschikt. Deze langere hengels zijn te prefereren boven kortere. Omdat het hiermee zittend of knielend op de stenen gemakkelijker is de vliegenlijn hoog te houden. De kunstvlieg kan met zo min mogelijk valse worpen voor de schuwe azende windes in of op het water worden gezet.
In de praktijk zijn hengels voor lichtere vliegenlijnen te kort of te slap voor dit doel. In het laatste geval hebben we ook te weinig controle over de vis tijdens de dril.

Een normale leader met een leadertip van ongeveer 1.50 m nylon 14 of 16/100 volstaat bij het vissen met natte vlieg of nimf. Met dezelfde leader kan ook gevist worden met de droge vlieg, alleen de leadertip kan iets korter i.v.m. het goede overslaan van de droge vlieg.
Het kan bij een gladde waterspiegel mogelijk zijn dat met kleine droge vliegjes moet worden gevist, waardoor een dunnere leadertip(12/100) noodzakelijk wordt.

NATTE VLIEG EN NIMF.

Donkergekleurde vliegen en nimfen op de haakmaten 10 tot 14 geven het beste resultaat.
Voorkeur betreffende een bepaalde natte vlieg of nimf heb ik nooit kunnen ontdekken. Een methode die ik met succes toepas is de volgende:
Aan het einde van de leadertip wordt een licht met koper- of looddraad verzwaarde nimf bevestigd, ongeveer 40 cm. daarboven een onverzwaarde natte vlieg.

‘t Vissen met meerdere (verzwaarde) kunstvliegen is voor velen in het begin wat lastig. De vliegen raken nogal eens in de war. Dit euvel is vrij eenvoudig te voorkomen, bind altijd de zwaarste vlieg onderaan de leader.

Tijdens de voor- en achterwaartse worp een strip toe te passen.Deze strip houdt niet meer in dan een klein trekje aan de lijn, waardoor een versnelling ontstaat, die er voor zorgt dat de zwaarste vlieg goed doorschiet en automatisch de leader strekt, waarbij het halen van behoorlijke afstanden mogelijk is.

De winde bevindt zich graag op de ondiepe plaatsen vlak langs de basaltstort. Vis evenwijdig aan de oever dicht langs de stenen. Het mogelijk om dan redelijk selectief windes te vangen. Je zal (behalve in de paaitijd van blankvoorn en brasem) van andere soorten geenlast te hebben. Het is belangrijk zich zo voorzichtig mogelijk langs de oever te verplaatsen om de schuwe azende windes niet te verstoren.
Door de snelheid bij het binnenvissen van de vliegen te veranderen, stijgen de vangstkansen. Soms pakt een winde de vlieg, wanneer deze heel langzaam over de stenen wordt gevoerd, een andere keer wordt regelmatig toegehapt tijdens een plotselinge versnelling bij het binnenvissen.
Uitproberen blijft hier de enige juiste methode.

DROGE VLIEG.

Veruit de mooiste manier om windes te vangen is m.i. met de droge vlieg.
Het is in dit geval vanzelfsprekend nodig eerst aan de oppervlakte azende windes op te sporen.
Op plaatsen waar windes te verwachten zijn, kan vanaf de IJsselmeerdijk meestal de waterspiegel langs de basaltstenen geobserveerd worden. Zien we hier kleine kringetjes verschijnen, zonder dat dit gepaard gaat met geplons of gespetter dat de blankvoorn eigen is, dan kunnen we er vrijwel zeker van zijn met windes te maken te hebben.
Vooral bij stil warm weer heeft de winde ook wel de gewoonte om gelijktijdig met bek en de rug- en staartvin boven water te komen, alvorens zich weer rustig naar beneden te laten zakken.

Hebben we windes ontdekt, dan is het zaak ze zo voorzichtig mogelijk te benaderen. Zittend of knielend op de stenen en door zoveel mogelijk de vliegenlijn boven land op lengte te brengen is de kans de schuwe vis te verjagen het kleinst.
Bij de laatste voorwaartse worp wordt de vlieg op het water gezet op een afstand van ongeveer 50 cm voor de plaats waar de vis zich de laatste keer vertoonde (dit geldt alleen wanneer we te maken hebben met een vis die herhaaldelijk op de zelfde plaats stijgt).

Is de wind in een dergelijk geval landinwaarts, dan is het beter om de vlieg ter hoogte van de plaats waar de vis werd waargenomen op het water te zetten, echter 1 m verder van de oever verwijderd. De wind en de golfslag brengen de vlieg naar de winde zonder deze te verschrikken.
Als windes langzaam zwemmend langs de oever trekken, waarbij ze regelmatig stijgen verdient het aanbeveling de vlieg iets verder voor de vis aan te bieden(2 m). Negen van de tien keer zal de winde de vlieg ontdekken, indien deze is aangeboden ter hoogte van de zwemrichting van de vis. Hoogst belangrijk is in ieder geval te vermijden dat u door een te verre worp de vis verjaagt.

WELKE DROGE VLIEGEN?

Een veel gehoord gezegde is dat windes vooral zijn te vangen met grote Palmervliegen.
Hoewel er weersomstandigheden zijn die ‘t gebruik hiervan mogelijk of soms noodzakelijk maken zijn deze verre in de minderheid.

In de praktijk gebeurt dit alleen bij een vrij stevige golfslag. Onder deze (meestal niet al te beste) omstandigheden wil het gebeuren dat de winde iets minder kieskeurig aast en misschien het silhouet van een palmervlieg iets sneller ontdekt.
Persoonlijk vis ik echter nooit op windes met palmers gebonden op een haak groter dan maat 14.

Vertoont het wateroppervlak kleine windrimpeltjes dan is een vlieg met een kleiner silhouet (haak 14 tot 16) aan te bevelen. In dit geval gaat mijn voorkeur uit naar vliegen met een bol lijfje van pauwenfibers met 1 of 2 grijze of zwarte hackles ingebonden bij het haakoog. (Grijze en zwarte hackles hebben ook de voorkeur van de winde, waarom???) Een plukje rode wol als staartje kan geen kwaad.

KLEINE DROGE VLIEGEN.

Als de waterspiegel zo goed als vlak is wordt het tijd om vliegen te gebruiken met een dun langwerpig lijfje (haak 16, kleiner is niet nodig).    Bij deze vliegjes is een dunnere leadertip (12/100) aan te bevelen. Onder deze omstandigheden heeft de winde tijd om de vlieg rustig te bestuderen en neemt deze dan ook op zijn dooie gemak.
Zelf gebruik ik nu vliegen met een lijfje van enkele fibers uit de staartveren van een fazant gecompleteerd door grijze of zwarte hackles bij het haakoog ingebonden, met een staartje van dezelfde kleur.

Ik bind deze vliegjes graag met hackles die geschikt zijn voor iets kleinere vliegen en dus kortere zijfibers bezitten.
Om toch een redelijk drijfvermogen te krijgen gebruik ik meestal meerdere van deze korte hackletjes. De op deze manier gebonden vliegen veroorzaken minder missers dan soortgelijke met langere hackles.

De meeste missers vinden m.i. nu niet plaats door te vroeg of te laat de haak te zetten, maar door ‘t gebruik van te grote vliegen met te lange hackles, die weliswaar door de winde gepakt, maar nog vlugger weer losgelaten worden. Diverse experimenten die mijn vismaat en ik samen deden, bevestigden steeds deze theorie.

DE DRIL.

Zet de haak rustig.
Nadat de vlieg wordt genomen is het verstandig ongeveer een halve seconde te wachten alvorens de hengel iets op te heffen en de lijn strak te trekken. Een dunne leader tip(12/100) zal snel breken wanneer dit te ruw gebeurd.
Vergeet nooit dat zich aan het einde van de lijn een vis kan bevinden met een gewicht tussen 3 en 5 pond.

De eerste tien seconden van de dril zijn meestal bepalend voor het wel of niet vangen van de vis. Wild schuddend met de kop probeert de winde zich aan de oppervlakte van de vlieg te ontdoen. Is de vis goed gehaakt en de leadertip doorstaat dit geweld, dan is de rest van de dril een kwestie van een beetje geduld. Probeer de vis zo snel mogelijk weg te leiden van eventuele soortgenoten.

Als een winde is gevangen op een bepaalde plaats, verdient het aanbeveling even rustig te blijven zitten. Na enige tijd vertoont zich soms op een afstand van minder dan tien meter weer een winde. Deze zou verjaagd zijn, indien onmiddellijk werd doorgelopen langs de oever.
Geduld en een scherp oog worden altijd beloond bij deze visserij.

WINDES VANGEN GEMAKKELIJK?

Zeker niet! Ik hoop echter, dat dit artikel, waarin ik zo kort en bondig mogelijk de mijns inziens werkelijk belangrijke zaken de revue heb laten passeren, zal bijdragen tot een verrijking van de ervaringen met de vliegenhengel.
Voor de binnen onze grenzen blijvende vliegvisser, die niet is vastgeroest aan de polders en ook het grote water waardeert, is het IJsselmeer een prachtige stek, die hem of haar in staat stelt met de vlieg te vissen op winde, in mijn ogen de mooiste inheemse sportvis die op deze wijze kan worden gevangen.

Vissen in Baggelhuizen

We gaan eind mei 2018 vissen op de plas van Baggelhuizen, gelegen onder Assen in Drenthe. Vlug nog wat vliegen binden en de spullen klaar zetten daar hoort ook de belly boot bij. En omdat het toch wel een aardig eindje rijden is hebben we ook nog een nachtje geboekt op een camping in een hutje in de buurt van de plas.
De avond ervoor vroeg naar bed dacht ik; helaas het werd nog 1 uur: alles klaar zetten en de koffie en broodjes klaar zetten en voor je het weet is het laat; shit morgen staat Marius om 6 uur op te stoep, gauw pitten.

De volgende dag dus vroeg op pad, na een uurtje of twee kwamen we aan bij de plas van Baggelhuizen, we waren netjes op tijd. Gauw de belly boten opgepompt en de hengels opgetuigd , klaar voor de start, hoe gaan we vissen? Marius gaat beginnen met een zinklijn en een booby en ik ga met een drijvende lijn en met buzzers vissen. O, dat wilde ik ook nog kwijt we werden vriendelijk ontvangen door de mensen van Baggelhuizen alles werd gauw geregeld en na een lekker bakkie zijn we gaan vissen. Ik kreeg al gauw een aanbeet en dat was nummer 1, dat gaat de goede kant op, nog maar net bezig en nu al vissen. Dat belooft nog wat,  maar daar bleef het bij. Marius ving op de booby ook zijn visje maar daar bleef het ook bij voor de ochtend ,we zouden om 1 uur wat gaan eten in de kantine. Een broodje bal en een sateetje met wat te drinken, want het was toch wel aardig warm geworden na de lunch. Gauw maar weer gaan vissen, we hadden wel gehoord dat de buzzers het goed moesten doen dus met goeie moed weer het water op, maar de aanbeten bleven uit. Marius had z’n dieptemeter bij zich en zo zagen we dat het,  waar we visten, ongeveer 4 a 5 meter diep was.  Dus ik gauw m’n  leader verlengd met een metertje of 3 en toen maar kijken of de vis daar wel aanwezig was.

Nog geen minuut later was m’n waker weg; aan de grond dacht ik, maar de ruk aan m’n hengel zei dat ik een vis had gehaakt. Toeval of had ik de vis gevonden? Na de dril gauw weer uitgeworpen en kijken of er nog meer waren. Ja hoor, na een aantal minuten weer beet: mis! Jammer, gauw aan Marius doorgegeven dat ik de vis gevonden had met de buzzers want hij ook moest overstappen op buzzers , dus gauw  de booby gewisseld voor de buzzers. Toen gebuzzerd “ onder de top” zo noemen ze dat, en de aanbeten bleven ook voor Marius  niet lang meer uit. Alleen was de klap ff te hard dus hij was alles kwijt. Nou dat beloofde  nog wat en zo vingen we ons visje wel .

Wat wel jammer was is dat we er al om half vijf mee moesten kappen want het personeel wilde om vijf uur de tent sluiten. Want we vingen toch wel aardig,maar ja aan alles komt een eind en we hadden morgen ook nog een kans.
Wat wel fijn was, dat we de belly boten in de schuur mochten stallen. Toen nog ff een versnapering genuttigd en afgerekend op naar de camping om een hutje te regelen. Dat was zo geregeld, het waren leuke kabouter huisjes maar groot genoeg voor met z’n tweeën. Daarna een lekker biertje gedronken, want dat hadden we wel verdiend. Later op de avond zijn we gaan Chinezen; dat was lekker en veel.  Terug  bij het hutje nog een biertje en toen maar gaan pitten en lekker dromen over de grote vis die we morgen zouden gaan vangen. ‘s-morgens een bakkie koffie gezet en broodje gegeten en toen maar weer gauw naar de plas toe. Daar nog ff een bakkie en  gauw de hengels opgetuigd. We zouden weer het zelfde doen als gisteren: Marius met de booby en ik met de buzzers.

Marius ving al gauw een vis maar bij mij bleef het stil. Geen reactie op de buzzers en Marius had er al drie te pakken, maar hij zat met chartreuse booby. Ik ook  gauw over op de zinklijn en met een booby, ik kreeg zowaar ook beet. Alleen Marius liep één op drie, dus als ik er één ving, ving hij er drie.

We vingen goed vis en tussen de middag maar weer een broodje bal en een versnapering. Namiddags vingen we ons visje wel weer. Ik heb nog ff geprobeerd met de buzzers maar die deden het niet. Dus maar weer gauw over op de booby en voor je het weet was het alweer tijd om te stoppen.
Gezien de vangsten over twee dagen hadden we ongeveer 20 mooie forellen gevangen TOP.

Review Elburg

Op de eerste zaterdag van december zou ik ‘s middags in Utrecht op ziekenbezoek gaan. Daar het een relatief mooie zaterdag zou worden en een afspraak om in Elburg te gaan vissen niet doorgegaan is, ben ik ‘s ochtends vertrokken met mijn vliegenhengel en heb een ‘ommetje’ langs Elburg gemaakt. Een zeer pittoresk stadje voor diegenen die niet van vissen houden.

Wel, daar zit vis (snoek, roofblei, baars, voren, brasem, kolblei, …). Volgens de Visplanner mag je daar overal vissen. Helaas kwam een BOA mij vertellen dat dit niet zo is. Het staat niet goed in de Visplanner. Volgens de BOA kost het veel moeite om dat te veranderen. Mijn ervaring is overigens een andere. Ik heb ooit eens met Sportvisserij Nederland gebeld en gevraagd naar de verantwoordelijke voor de Visplanner. Hij was erg blij met de melding en heeft de fout direct gecorrigeerd. Hij vertelde overigens ook dat het doel is om van de visplanner een ‘wettelijk document’ te maken. Dan moet echter alles goed zijn en iedereen zou daaraan mee moeten werken, b.v. door fouten te melden. Tot die tijd moet je de papieren lijsten bij je hebben (en eerst lezen ;-).
Maar goed, terug naar Elburg en de BOA. Het was een vriendelijke man, die mij toestond om alsnog een vergunning te kopen. De BOA wees naar een gebouw, een touwslagerij, naast de poort aan de Havenstraat (De Fa. Deetman, Havenstraat 2) waar je een vergunning kon kopen. Op de site van de HSV “De Poepenkolk” zijn echter nog meer adressen te vinden.

De vergunning kost €4,- per dag. Daarop staat duidelijk vermeld dat je niet vanaf de steigers in de haven en het havenkanaal mag vissen.
Dat betekent dat er maar een relatief klein gebied beschikbaar is. Zoiets als (voor de vliegvissers) in Brielle.
De meeste vis zou in het havenkanaal moeten zitten net boven het voor ons het toegestane gebied (de binnenhaven). Als je daar met een hele club komt, zal het dringen zijn. Tussen de boten en andere vissers die daar komen. Zie het kaartje van het beschikbare gebied en een copie van de regeltjes op de vispas.

Wanneer je in google-maps-satelliet (earth) kijkt zie je dat er, vanaf dit rood omcirkelde stukje, in de rest van de haven / havenkanaal allemaal steigers liggen. De Poepekolkers mogen daar vissen (niet in het hoogseizoen). Anderen niet. Alleen nog een stukje aan de monding van het havenkanaal – Flevomeer is dan nog beschikbaar. Echter ook de stadsgracht. Daar mag gevist worden. Er is een verbinding met een vistrap gemaakt tussen de haven en de gracht. Echter de vangst, werd mij verteld, is daar minder.

Je zag dat er vis aan het jagen was. Iemand zei dat het, naast snoek (ook >= 1m), met name ook roofblei en grote (ook 50 cm’s) baars was. Echter dit was te ver weg door de tegenwind en door boten / lantarenpalen / bomen aan de overkant van het parkeerterrein. De haven is diep: 3 – 4 meter. Dit is lastig met een beetverklikker. Ik heb ook zonder zo’n ding gevist en toen nog wel wat gevangen. Dat was niet veel: ruisvoorn, kleine kolblei en een kleine baars. Ik heb op de bodem gevist met een lijn waaraan een dropper zat. Die dropper heb ik op verschillende hoogten ingesteld. Dit had weinig effect evenals een variatie in de gebruikte nimfen.
Er werd veel ge-dropshot en gesnoekt. Met name met dode vis waardoor er weer allerlei lijnen in de weg lagen (dan moet je maar ook niet in het weekeinde daar gaan vissen). Ik heb echter niet gezien dat er een snoek o.i.d. gevangen werd.

Halverwege de middag heb ik de hengel weer op geruimd. Hoewel het erg weinig vis per kilometer was, had ik geen spijt van deze omweg. Misschien ga ik daar nog eens naartoe, maar dan niet in het weekeinde.

Tight Lines

Hugo

Review Jachthaven Kampen

Vandaag, 6 november 2014, met Marius van Kampen wezen vissen in Kampen, aan de IJssel. Waar helemaal? Ja, in Kampen, we hebben er 140 km voor gereden, vroeg van huis en pas om 10.30 uur de hengels in het water.

We besloten om in Kampen te gaan vissen omdat we steeds op zoek zijn naar nieuwe winterstekken. Door Internet af te zoeken zijn we op de stekken in Hoorn gestuit; zo kwamen we via een beschrijving op www.ikvis.nl  tot de conclusie dat Kampen de moeite waard kon zijn. Vandaar dus.

Kampen is eenvoudig en redelijk snel te bereiken als je niet tijdens de spits de A12 op gaat. Maar vanuit den Haag ontkom je daar niet aan. Na Utrecht valt het dan wel weer mee, maar je bent toch al gauw anderhalf uur reistijd kwijt. De terugweg is in de spits een regelrechte ramp. Alle fileknelpunten kom je tegen.
Maar is het dan toch nog de moeite waard? Voor ons was het dat vandaag zeker. Toen we eenmaal in Kampen centrum waren en arriveerden aan de Havenweg, viel ons als eerste op dat we er volop en gratis konden parkeren, zelfs op het terrein van de jachthaven. De grachten in de stad hebben we niet bevist, de waterstand was te laag. Maar van hengelaars in de jachthaven, hoorden we dat die grachten in de wintermaanden vol voorns zitten.
Kampen heeft een aantal kleine havens. Wij kozen voor de jachthaven aan de Havenweg. Behalve het voordeel van de parkeerplaats ligt naast de jachthaven een visrestaurant  (hoek Hagenkade / Oude Straat) waar je kunt lunchen, koffiedrinken en je sanitaire stop kunt maken.
We kwamen bij de haven en zagen dat er veel gevist wordt: borden met de mededeling: “verboden vanaf de aanlegsteigers te vissen”. Toch waren er voldoende plekken waar je vanaf de kademuur kunt vissen. Veel plekken waren al bezet door witvissers met vaste stokken. Wij kozen voor een stuk kademuur waar de haven uitmondt in de IJssel. In feite een stuk kanaal van 100 meter tussen haven en rivier.

De kade ligt ongeveer 1,5 meter boven de waterspiegel. De waterdiepte is aan het begin van het kanaal ong. 2 meter  en waar het kanaal overgaat in de rivier zo rond de 3 meter.
Wij startten klassiek met een nimf (tungsten) aan 10/100 en 12/100. Met beetverklikker. Langzaam strippen leverde Marius enkele voorns op. Ik stond inmiddels helemaal aan het Blankvoorneind waar kanaal over ging in rivier. Rondom me allemaal draaiende vis. Ik schakelde over op een onverzwaarde nimf en ving de ene kleine roofblei na de andere. Niet groter dan 10 cm. Op enig moment stripte ik nogal snel m’n nimf binnen en toen knalde er een grotere roofblij op. Niet groot, wel sterk, zo rond 25 / 30 cm. Toen ik dit herhaalde brak m’n lijn, dit bleek niks te zijn voor een 10/00 tippet.

Ik schakelde over op 12/100. Marius stond 20 meter bij me vandaan en begon op dezelfde manier te strippen. Vanaf dat moment was vrijwel elke worp raak: ik heb niet eerder zoveel roofblei gevangen, steeds tussen 25 en 30 cm. Afgewisselde door windes, zo dik als straatklinkers. Toen ook mijn 12/100 werd stuk getrokken ben ik gelijk doorgestapt naar 18/100. Om m’n nimf snel te laten zakken, en dan snel binnen strippen maakte ik een combinatie van twee met tungsten gebonden nimfen, halve meter tussenruimte en de zwaarste boven. Inwerpen, paar seconden wachten, snel strippen en dan hing er weer een roofblei, of een winde of een blankvoorn, of een kolblei, of een brasem, of een snoekbaarsje.

In m’n vliegendoos vond ik een verdwaalde baarsstreamer, die heeft het maar even overleefd, bij de tweede worp werd die van m’n lijn gerukt. Toen maar weer verder met nimfen zodat de echte grote roofbleien niet zouden bijten. We waren daar niet op voorbereid, geen schepnet bijvoorbeeld.
Dit was wel een de meest bizarre vistrips van de afgelopen tijd. Samen hebben we – hoewel we na de vijftig vissen gestopt zijn met tellen- wel zo rond de 150 vissen gevangen. Allebei meerdere dubbels van winde, roofblei  en kolblei. We hebben gevist tot zonsondergang, nog een kopje koffie bij het visrestaurant en terug naar de Randstad.
We gingen kijken of we hier met de ’s-Gravenhaagse Vliegvisser een dagje zouden kunnen vissen. Onze conclusie is een beetje dubbel: prima viswater  ( vandaag wel, maar het kan ook anders zijn hoorden we, ’t blijft vissen) maar je kunt er niet echt met een groep terecht. Als je als groep de drie havens wilt bevissen valt de groep uit elkaar. Op zondag zijn er vermoedelijk meer  witvissers. Er is dan relatief weinig plek voor meer dan vier vliegvissers.  De grachten hebben we niet geprobeerd, daar kunnen we niet meer over zeggen dan dat lokale vissers vertelden dat er veel vis in trekt.
Heb je er een lange rit voor over? Ga dan eerst eens met een kleine groep is ons advies. Probeer dan ook eens wat andere havens langs de randmeren ( bijvoorbeeld Harderwijk) en meld ons de ervaringen

Snoeken met de vliegenhengel blijft spectaculair

Op zondag  19 november hadden we 10 roeiboten met elektromotor gehuurd bij Leo Groenendijk in Noorden. In het clubhuis was de inschrijflijst enkele weken tevoren al snel vol. Veel vliegvissers ( 20 man, twee per boot) voelen zich aangetrokken tot het  “grotere” werk: het vissen op snoek.

Ten eerste is het vissen op groot water al een belevenis. Cruisen met het bootje op een rustig tempo met de elektromotor biedt veel comfort. De tijd dat we een hele dag roeiend over de plassen zwierven is voorbij.  Deze nieuwe manier van vissen past overigens ook heel goed bij de hogere gemiddelde leeftijd van onze leden. Die trekken het niet meer om een hele dag te roeien, zo vermoed ik.
Ten tweede telt ook het aspect van gezamenlijk vissen. Op zo’n dag delen we de ervaringen en vooral als we binnen zichtafstand van de anderen een snoek vangen is, wordt er over en weer gejuicht. En foto’s gemaakt. We hadden dit keer een fotograferende gast, Erik van Rumpff, die een opleiding doet aan de fotoacademie en zijn camera voor een project richt op de hengelsport. Wij vulden voor hem het onderdeel vliegvissen in. De foto’s bij dit artikel zijn door hem gemaakt. Waarvoor dank.

Ten derde is het vissen op snoek aantrekkelijk. De voorpret begint bij het maken van streamers op de clubavond of thuis. Op de club (elke dinsdagavond vanaf 8 uur in het clubhuis van de GHV aan de Madesteinweg in den Haag)  tref je medevissers die zeer ervaren zijn in het maken van die streamers en die kennis graag delen.  Ook bij het werpen met die streamers (volgens sommigen alsof je een halve kip a aan je lijn hebt hangen) worden adviezen gegeven. Maar deze zondag kon je alle werpadviezen vergeten, het waaide in de ochtend rond windkracht 5, in de middag bijna 7.
Dat betekende dat veel vissers gebruik maakte van het feit dat we een elektromotor hadden: ze gingen de streamers voortslepen achter de boot.  Dat bleek een effectieve manier om te vangen.

Het totaal aantal  snoeken van de dag was 9.  Helaas had dus niet iedereen vis. En, dat moet gezegd worden, een enkele snoek werd gevangen met de spinhengel, dat mocht  ondanks dat we een vliegvisclub zijn, vanwege de harde wind.
Het laatste aspect dat ik wil noemen dat deze visdagen speciaal maakt is de lunchverrassing. Dit jaar hadden  de secretaris, namens het bestuur, voor iedereen een broodje worst in petto. Het werd ter plekke gemaakt  (opgewarmd dus) op een campinggas die op de bodem van de roeiboot stond. Het bestuur had ook voor roze koeken, biffiworstjes en frisdrank gezorgd.  Rond half een legde iedereen de roeiboot aan elkaar op een plek in de luwte. En konden we even met elkaar de ervaringen van de ochtend delen en een lekker warm broodje knakworst eten met een roze koek en cola na…..

Tot de volgende keer, Chris van Elk

Mannenhemel

Zaterdag 30 september was het weer zover. De start van een week vissen op zeeforel. De week Fyn (spreek uit Fune) is zo langzamerhand een traditie geworden waar ik ieder jaar reikhalzend naar uit zie.

Om 6:00 uur stonden Marius, Ben, Job, Leen en ik te trappelen van ongeduld op de drempel van het huis van Paulus. Nadat het proviand was ingeladen en de auto’s ietwat door de assen zakten, begon de reis. TomTom leidde ons wederom feilloos langs de file tussen Hamburg en Flensburg. Om 16:00 uur stonden we voor ons vertrouwde adres Mellenbakken 11. Ons huis weg van huis. Halsoverkop de auto’s uit laden en om 16:30 maakten we onze vliegen nat bij de good old Suikerfabriek. Met één visje viel de vangst tegen. Maar… …we waren in Denemarken. Een week vol ongekende mogelijkheden lag in het verschiet.

Vissen op zeeforel is in beginsel niet moeilijk. De vis houdt zich op langs de rifjes en de randen van en in de wierbedden. Scherp vissen langs de wierbedden en rifjes loont dan ook de moeite. Dus bij veel wierbedden (een zgn. marbel field) vis je in de open gaten. Bij weinig wierbedden (een zgn. zandvlakte) vis je niet in het open water, maar strak langs de wierbedden.

Een voordeel is dat elke stek honderden mogelijkheden geeft, maar het water moet dan wel helder zijn anders zie je de wierbedden niet. Helaas zit niet in elk wierbed een zeeforel, en niet elke zeeforel heeft zin om te bijten. Dus hoewel makkelijk, is zeeforel vissen vooral taai. De bijnaam van de zeeforel is niet voor niets de 1000-worpen-vis. Het loont dus veel water te bevissen. Dit betekent veel lopen en werpen. Dat hebben we dan ook gedaan.

De zondag was magistraal. Strak blauwe lucht, volle zon en 20 graden. Een misselijke grap van moeder natuur die betaald werd met regen en wind de dagen erop. Om 6 uur opgestaan, stonden we rond 7:30 aan de waterkant. Stek 102 Ålehovedet. Een schiereiland dat rondom te bevissen is met legio veelbelovende plekken. Marius, Job en ik begonnen te vissen op de kop. Achteraf gezien een beste keuze. De anderen startten op links. Een ongelukkige keuze vanwege het troebele water. De wierbedden waren onzichtbaar aldaar. Maar er werd gevangen. Niet te veel, maar wel maatse vis. De vlieg genaamd Brenda was deze dag top.

Ben en ik vingen een nieuwe PR. Dag één van de vakantie en de vakantie is al geslaagd. Helaas was het voor Ben ook zijn laatste visje. Maar dat wisten we toen nog niet

‘s Middags lopen de vangsten altijd terug, dus genoten wij van een warme maaltijd. Zoals elke dag een culinair hoogstandje van Paulus. In de namiddag was Stek 96 Toro Huse aan de beurt. Deze stek is van oudsher beroemd om zijn goede vangsten. De Kop, het Kruis en het Kanon allemaal mythische namen als het aankomt op het vangen van veel zeeforel. Met één visje op 6 man viel deze grand lady der stekken ernstig tegen.

De sterk opkomende en uiteindelijk stormachtige westenwind maakte het vissen moeilijk. Deze laatste toef van Catharina bepaalde voor de rest van de week waar we konden vissen. De bombetta was voor sommigen een uitkomst om toch met een vlieg te kunnen blijven vissen. Een visserij op zich met een eigen dynamiek. Zeer effectief bij het afvissen van grote strekken water. De eerste dag lukte het nog om nabij goede lij-stekken te vinden. Hierna moesten we naar de andere kant van Fyn. We lieten ons leiden door de “Fynner bijbel”. Het grote stekkenboek der zeeforellen ter Fyn geeft aan welke stekken geschikt zijn bij welke windrichting in welke periode. Marius had al deze informatie in zijn mobiel staan dus er naar toe rijden was een eitje.
Maandag was stek 117 aan de beurt. Flyvesanddet. Deze stek op de kop van het eiland was de rit waard. Geheel in de luwte was het goed toeven. De zee helder en veel veelbelovende stekken voor het oprapen.

Wij vingen een visje maar Marius ving een VIS. Met 65 cm een prachtig bakbeest en nog lekker ook.

Hierna gingen we naar stek 1, Enebaerodde. Dat klinkt heel ver als je op stek 117 staat. Maar een eiland is een gesloten landmassa en als de laatste stek 117 is, dan volgt automatisch stek 1. Dus lekker dichtbij. De stek viel tegen. Minder mooi en weinig vangsten.

Achteraf gezien waren de ochtenden eigenlijk meestal het beste moment. Dus volgend jaar een uurtje eerder opstaan. De schemer viel wat dat betreft echt tegen. Dat ging voorgaande jaren beter. Ook was er nauwelijks forel te zien. Dus aangooien was geen optie. Iets wat we ook niet kennen van voorgaande jaren.

Dinsdag in de binnen baai van Helnaes was als een vakantie in Spanje. Uit de wind, in een warm zonnetje en een familie bruinvissen op nog geen dertig meter afstand. Zoals gewoonlijk voor mij op deze stek verspeelde ik al mijn vissen waarvan twee grote. Maar het gaf in ieder geval vertrouwen in de vlieg Coppermagnus die ik had aangebonden. Marius ving een mooie geep en Leen en Paulus zeeforel. De Pate Grise een andere bekende vlieg bleek wederom een vanger te zijn. Het was dan wel weer even wennen dat als je aan de loefzijde kwam, je echt uit je verschoning waaide.

Na het zoveelste geweldige middag diner gingen we naar stek 83. Knolden. Een nieuwe stek nabij Faaborg. Een uit stekende landtong waarachter gevist kon worden. De weg naar lijzijde was lang en moeizaam. Maar er werd gevangen. Geen bijzondere vissen, maar toch weer leuke visserij. Job had die avond met drie vissen een topavond. Ondanks de wind was dit toch ook een echte mooie plek. In het begin stukken diepwater. Later weer een oplopend zandplaat waar eindeloos op doorgelopen kon worden. In de rode cirkel hiernaast zie een zwart puntje.

Dat is Leen die de overkant probeert te halen. Ik moest gelijk denken aan variant van een lied van Boudewijn de Groot. “Hoe sterk is de eenzame visser die kromgebogen over het water…….” Ik kan je zeggen beresterk. Met rustig weer zijn hier talloze stekken meer te bevissen. We gaan er zeker nog eens naar toe.

4 Oktober. Dierendag. Ik had thuis beloofd zonder haak te vissen en ving die dag niets. De anderen vingen wel, maar overall gezien niet wild. Met uitzondering van Paulus die een vijftiger ving. Een lang gekoesterde droom kwam die dag wel uit. Stek 104 Fønsskov Odde werd verkend. Een verspilling van tijd en moeite. Hierbij voorgoed van de lijst geschrapt.

Op 5 oktober werd de Jan Special in stelling gebracht. Deze zuurstok roze garnaal is een ontwerp van de Haagse Vliegvis Vereniging. Het ziet er niet uit, maar vangt als een malle. Ik heb in ieder geval geen andere vlieg meer aangebonden. Het weer werd slechter. Zoals je weet kan je met een droge of natte vlieg vissen. Als visser hadden we ook zo’n keuze. We konden als droge thuiszitter het watje uithangen, of als natte vissers in het water staan. Ondanks de wind en regen werd er gevist zoals het echte mannen betaamt. Nat tot op de onderbroek,  maar wel vissen.
De regen was soms niet meer dan een buitje, en dan weer zag je een watergordijn aankomen die even later striemend om je heen neersloeg. De vissen die je dan vangt, krijgen een legendarische proportie. Zo plukte Leen nog eens mooie zeeforel uit het water, terwijl de hemelsluizen genadeloos op hem inbeukten. Misschien niet de grootste vis, maar met zijn veertig plus wel de meest epische.

Maar wie klaagt er over het weer, als je na een dag hard ploeteren voldaan de waterkant verlaat en wordt beloond met een maansopkomst waar je stil van wordt. Of wie klaagt er als je naar huis rijdt en er een ree op de weg je spottend aankijkt. Of wie klaagt er als je naar je stek loopt en tientallen fazanten kleurrijk voor je voeten wegspringen. Of wie klaagt er als je staat te vissen en er een oude driemaster voorbij vaart. Ik raak onder de indruk wanneer een familie bruinvissen op dertig meter afstand mij aankijken.

Dit alles maakt vissen op Fyn niet alleen een visvakantie, maar ook nog eens een fantastische ervaring. En als je nat en koud thuis komt, is er toch niets zo lekker als een warme douche waar je weer mens van wordt. Wel jammer dat we drie dagen nodig hadden om het knopje te ontdekken, dat er voor zorgde dat er voldoende warm water was voor iedereen. Maar wie klaagt over een vleugje muskus als 6 mannen op elkaars lip leven.

‘s Avonds lekker op de bank een hapje en een drankje en uren oeverloos gelul over vissen en alle andere onzin dat ter tafel komt. Van de gesprekken weet ik niet veel meer, maar de pijn in mijn buik van het lachen is me bij gebleven. Dat we als mannen het decorum een beetje lieten varen maakte de beleving compleet.

Deze geweldige vakantie werd in perfectie afgesloten. Vrijdag scheen de zon volop. Twee nieuwe prachtige stekken werden aangedaan. Stek 20 Stavreshoved en stek 21 Hverringe Skov. Echte aanraders. Een uitslover, wiens naam onbekend zal blijven, moest er zo nodig nog 25 polakken uitrekken. Dik onder de maat en niet meetellend voor het klassement. Frustrerend hierbij was dat de anderen (waaronder ik zelf) op diezelfde plek er nauwelijks een visje konden uittrekken. Ik ving nog een 50-tiger en was de koning te rijk. Leen, Paulus, Job en hij wiens naam onbekend zal blijven vingen zeeforel. Ben verspeelde zijn laatste kans en maakte dit in authentiek oud Haags kenbaar aan de wereld. Het was jammer dat de grote ‘GO FISHING’-viswedstrijd die dag begon, dus alle stekken waren retedruk. Een Duitser die uit gleed en een U-boot na deed, maakte dat een beetje goed. Wij hadden onze vakantie al gemaakt. Ons restte slechts de weg naar huis de volgende dag.

Speciale dank gaat uit naar Paulus voor de goede zorgen en zijn dagelijks geploeter in de keuken. Minder dank gaat naar hem uit voor de drie kilo die ik ben aangekomen.

Als ik de week opsom, dan had Leen een ADF vakantie. Alle Dagen Forel en ook nog de meeste.

Marius had een ADV vakantie. Alle Dagen Vis en met een geep, makreel en polak als bijvangst had hij, naast de grootste zeeforel, ook de meeste soorten vis. Naast mijn PR op de zeeforel had ik ook een PR op de zeenaald, ongeveer 8 cm. Ben had slecht één vis maar dat was wel direct een PR. Paulus en Job vingen hun vissen mee, waar tussen een aantal veertigers en een vijftiger. Maar wie houdt er nu een stand bij?

Er is weleens een week waarin alles klopt. Deze week was zo een week. Voor mij gaat week 40 van 2017 de dagboeken in als een week in de Mannenhemel.

Vliegviskoorts

Sinds 2011 ben ik zeer actief betrokken bij de ‘s-Gravenhaagse Vliegvisser en ik sla geen vliegvistripje over.  Ook het vliegen binden heb ik me inmiddels eigen gemaakt dankzij de lessen op de dinsdagavond en de vele voorbeelden die ik elke dinsdag weer aan de bindtafel van de vliegvisclub zie.

Altijd zijn er wel weer wat leden, die de een of andere – altijd perfect vangende- vlieg gaan binden. Meekijken is geen enkel probleem en als je er naar vraagt krijg je het bijbehorende vangstverhaal ook nog te horen. Ook wel ongevraagd overigens.

Ik begin er zo langzamerhand een patroon in te ontdekken. Dat lijk een merkwaardige opmerking maar dat is niet zo. Er is wel degelijk een patroon, dus is het voorspelbaar wat er gebonden gaat of moet worden. En omdat ik lid van het bestuur van de Vliegviscommissie ben, helpt dat inzicht ontzettend als ik met Jan en Marius het programma aan het voorbereiden ben. Ik deel dat inzicht graag, de ervaren vliegvisser weet dat natuurlijk al, maar voor degenen die, net als ik ooit, als beginnend vliegvisser bij ons is binnengestapt, of voor degene die er mee wil beginnen, kan het nuttig zijn.

Je kunt het de ingebouwde Vliegviskalender noemen, hij volgt de seizoenen. Die kennen is heel geruststellen want je weet dan wat er nog komen gaat in de loop van het jaar. Met andere woorden, je kunt beter anticiperen.

Ik neem de afgelopen maanden, juni als startpunt. Overal gonst het dan van de geruchten: de FINTEN zijn gezien, in de Nieuwe Waterweg. Voor de echte precieze vissers: je noemt dan ook nog de strekdam. Als je aangeeft dat je ze tussen de Maeslandkering en Rozenburg hebt gezien, kijken ze je aan alsof ze denken dat je niet goed wijs bent. Dat kan helemaal niet, ze horen te zwemmen tussen de Kering en Hoek van Holland. Daarna komt de koorts op en breekt de vliegvispleuris uit: iedereen naar de Waterweg. Je hoort altijd de verhalen van gisteren, toen werden er wel 50 de man gevangen.

Die koorts neemt weer af, maar dan komt de zomerkoorts, de polder in. Op de clubavond wordt uitgewisseld waar de eerste ruisvoorns zijn gevangen.

Altijd dikke jongens als bakstenen. Wordt het de polder bij Delft, gaan we bij Zoeterwoude vissen of kiezen we toch voor Boskoop, Driebruggen, de Zoetermeer vaarten of het Westland. In deze periode kun je kilometers maken om de vis te zoeken. Want ze zitten, als jij gaat vissen n.l. nooit waar iedereen zegt dat ze zitten, jij moet op zoek gaan.

September is dan altijd weer een wat saaie maand, de vakanties zijn voorbij, als club gaan we dan ook vaak “voor de gezelligheid” zeggen we dan, naar een forellenvijver. Tegenwoordig is dat de Ruijgenhoek bij Utrecht waar we inmiddels een goede band mee hebben. Eigenlijk gaat iedereen mee omdat de kans op een echt grote forel heel groot is op zo’n vijver. En dat voelt ook wel weer spectaculair aan.
Anderen gaan in deze periode achter de baarzen aan en maken veel kilometers in de polders maar ook in de stedelijke gebieden. Steeds vaker kun je een vliegvisser spotten langs een Haagse gracht.

Als het najaar nadert gaan de streamers binden voor het snoekseizoen. Ongeacht of je al streamers heb,t ga je weer binden. Elk jaar zijn er nieuwe materialen en inzichten. Wij nodigen dan een ervaren streamer binder uit, die ons de laatste kneepjes komt voordoen.

De zondag daarop gaan we op pad, snoeken vangen. Helaas valt dat de laatste tijd wat tegen: we zaten in bootjes in Noorden, in klein Giethoorn, we liepen in Langeraar en Haastrecht en door de weeks in Stolwijk. Koortsachtig alle locaties afvissen die ooit veelbelovend waren.

Frustratie heeft geen tijd om zich te ontwikkelen, want sinds we een onderlinge leden app. Hebben, wisselen we het laatste nieuws uit. En daar stond opeens in dat in de binnenstad van Oudewater grote voorns gevangen waren. Een dag later stonden en Haagse vliegvissers de grachten af te vissen. Met succes, er werden echt grote vissen gevangen. Tot verbazing van de bezoekers van de markt, die hadden jarenlang geen enkele hengelaar in hun stad gezien. Daarna volgde Waarder en Driebruggen, Boskoop en de Stompwijkse Vaart. Zonder die app zou je het zelf niet bedacht hebben.

Op dinsdagavond hoor je dan in de herfst dan sommige leden al in Zoeterwoude zijn wezen kijken hoe het water er bij ligt. Maar ook Maassluis wordt koortsachtig in de gaten gehouden. Het zijn twee prima winterstekken waar je altijd wel wat vangt. Maar dan gaat het gerucht dat er in de haven van Kampen veel gevangen wordt. En in Bunschoten/ Spakenburg; en dat de haven van Huizen ook niet overgeslagen mag worden.
We maken weer kilometers om dat allemaal al vissend te onderzoeken. Vol adrenaline vertrekken we naar Kampen en ja hoor, we vangen veel mooie vis. Bunschoten Spakenburg, althans in elk geval de visboer, kent ons inmiddels.

Zo vissen we de hele winter door: van de ene tip naar de andere, steeds hopend op mooie vangsten. Het voorjaar is een wat slappe periode voor het binnenwater. Zodra we berichten horen over de grote rivieren, gaan we er op af. De Waal bij Woudrichem, de Lek bij Schalkwijk vormen ons jachtterrein. Niet altijd makkelijk maar ” er werd gezegd” dat we er goed zouden vangen.

Zo komen we weer langzaam bij de zomer. We horen dat er in de Yatzeehaven goed zeebaars wordt gevangen. We nodigen een ervaren binder van zeebaarsvliegen uit en gaan aan de slag met binden. Daarna op pad om er zeebaars mee te vangen. En vinden we ze niet in die haven, dan kammen we de hele maasvlakte uit tot we ze vinden. Het houdt dus maar niet op.

Ik koester die koorts, daar hoef ik geen medicijn voor.

Waar ga ik vissen na de winter

Ik schrijf dit verhaal op het meest oninteressante moment van het vliegvisseizoen, althans dat is mijn mening en die wordt ook door veel anderen gedeeld (zou een politicus zeggen). Het is de periode tussen wintervoorns in de diepe havens  en de prachtige zomervoorns in de betrekkelijk ondiepe poldersloten.

Saai en onrustig weer met de wind vaak in de verkeerde hoek, dat niet echt uitnodigt om weer een dagje te genieten van het vliegvissen. Toch heb ik de voorbije weken veel vliegvissers ontmoet die, net als ik, op zoek waren naar vis. En dat is dan wel weer een positief kantje van deze weersomstandigheden: lekker actief en je ziet veel viswater. Natuurlijk is er weinig vis te vangen in de polders als het water nog (te) koud is. Dat weet je, maar je weet ook dat de vis er wel is. Sommigen zijn van mening dat de naderende paaitijd de vissen niet hongerig maakt. Ik behoor tot de aanhangers van de theorie dat je maar gewoon moet blijven proberen om vis te vinden en dan te vangen.

En dat lukte redelijk, moet ik zeggen. Ik kan iedereen aanraden om aan het eind van de winter, midden maart tot eind april, de polders te doorkruisen en op heel veel plekken even te stoppen en een kwartiertje te werpen. Er zwemmen wel degelijk grote en kleine schooltjes vis rond en vaak worden die ruis en witvoorns verraden door jagende snoek. De voorns springen weg, maar je weet wel waar je dan moet zijn.
Voor de droge vlieg is het nog te vroeg maar een lichte nimf kan succes opleveren. Het is weer even wennen na een winterperiode waarin we onze nimfen strak over de bodem stripten. De vis zit al hoger en moet dus anders benaderd worden; al bijna in de stijl van het zomervissen op ruisvoorn. Ze zijn schuw en bij de minste verstoring vluchten ze weg. Het is dus de periode van de lange tippets die het wateroppervlak het minst verstoren. Ik ben zelf geen voorstander van lange leaders, omdat die vaak weer te zwaar zijn omdat ze taps toelopen. Als het niet te veel waait is een mooie tippet van 14/100 en 12/100 en dan 2,5 meter lang een prima ding om de voorns mee te verrassen. Ik doe dan wel halfom: een anderhalve meter 14/00, aan het eind zo’n heel klein ringetje, en daaraan knoop ik een meter 12/100. Heeft ook als voordeel dat het ringetje als breekpunt fungeert. Vooral prettig als je met een beetindicator vist. Die zet je dan op de 14/100 en die raak je niet kwijt.
Maar beter is het om helemaal geen indicator of verklikker te gebruiken. Als je zo’n schooltje vis hebt gevonden dan is het de kunst om je lichte nimf (traag zinkend) zo aan te bieden dat je de school niet verstoort. Niet de hele tippet over de school heen, zo van “dan strip ik m’n nimf door de school vis heen”, dat werkt niet. Blijf vlak voor de school inwerpen of hooguit in de rand. Als je zo inwerpt dat je tippet mooi strekt heb je kans dat je binnen seconden je aanbeet ziet: je tipppet ligt te trillen op het water of hij schiet met een rotgang weg als de voorn je nimf mee neemt.

Het vraagt nauwkeurigheid bij het werpen en concentratie, maar het is veel leuker dan met een beetverklikker. Het is net weer wat meer “vliegvissen”
Welke nimf je gebruikt, is op zich ook weer zo’n zoektocht. Ik heb ervaren dat een kleine nimf op haakje 16 of zelfs 18 het prima deed. Maar ook had ik een dag dat een grotere nimf prima ving. Er is geen recept , je moet het steeds weer uitvinden, dus vrij actief wisselen van nimf.
Ik gaf in het begin al aan dat het in deze periode een zoektocht is. Op de website van de GHV staat ons viswater en ik kan je uit eigen ervaring vertellen dat daar verrassende stekken tussen zitten. Vooral voor de wandelende vliegvisser die van de polder houdt. Ik woon in Zoetermeer en daardoor ben ik vooral georiënteerd op de polders in mijn omgeving. Ik kan ze allemaal aanbevelen: de polders rond Zoeterwoude en Hazerswoude (neem de A4 en N11 en je bent er zo) even verder de polders rond Hoogmade (schitterende vaarten, niet in de weekeinden want dan liggen de sloepjes er in file) Boskoop is ook zo’n gebied en dan met name de polders tussen Boskoop en Reeuwijk, in de buurt van het plaatsje Tempel. Kilometers kun je daar lopen langs smalle en brede vaarten. Steek eens door naar de wateren rond Waarder en Driebruggen. Het water is er uitdagend mooi, mits je een parkeerplek vindt. Rij eens richting de Wiericke in de buurt van de Oukoopse Dijk. Steek je door naar Reeuwijk, dan tref je talloze sloten en vaarten. Maar ook de andere kan ben ik uit geweest: Oudewater, de Linschoten, Oud- Ambacht en Stolwijk. Bij voorkeur niet in de weekeinden , dan zijn veel plekken niet toegankelijk, zie de viswijzer) , maar door de week heb je de plekken voor het uitkiezen. En wie actief zoekt, vindt altijd vis.
Kortom kilometers maken en veel uitproberen. En de bijvangst kan ook heel aangenaam zijn, je komt echt veel boerderijen tegen waar ze hun producten aanbieden: een pittig stukje kaas, daar kun je ook mee thuiskomen.
Lees de website van de GHV nog eens na bestudeer ons viswater en ga op ontdekkingstocht, je zult- net als ik- verrast worden.

Tight Lines
Chris van Elk

Een dagje snoeken in Hoenkoop

De vaarten langs de Hoenkoopserijweg en de Tiendweg tussen Haastrecht en Oudewater,  zijn zeer bekende en dus veel beviste snoekwateren. Op zondag 6 november 2016 waren de ‘s-Gravenhaagse Vliegvissers er met 12 man. Deze dapperen hadden zich niks aangetrokken van de weersvoorspellingen,die duidelijk aangaven dat het veel en hard zou gaan regenen en dat de wind ook merkbaar zou zijn. En dat was ook zo.

En dan toch erop uit trekken werd beloond: Ko ving als eerste een snoek in een lullig slootje waar afgevallen takken in lagen. Hij ving er zelfs een tweede snoek.
Ton pakte, na een heel stuk lopen en vissen, zijn eerste en kort daarop ook zijn tweede snoek. Bijzonder was dat Ton had besloten om met zeebaarsstreamers te gaan vissen, niet zo groot en heel wendbaar, dat werkte dus wel..
Leen viste met een “gewone” streamer en ving tegen de middag ook zijn snoek.
Marius had in de ochtend al een paar volgers gehad en pakte na de lunch een mooie snoek
Rond lunchtijd trok de regen even op en konden we gezamenlijk onze boterhammen opeten. En de tussenstand opmaken. De dreigende regen weerhield de meesten er niet van om de middag door te vissen.
Twan had een snoek gehaakt en toen hij deze op de kant trok loste de vis. Mooie discussie: heb je hem dan wel of niet gevangen. Jan tenslotte had echt pech: een mooie snoek die uiteindelijk in het water los schoot. Maar dan toch wel even de spanning gevoeld, toch?